
Er zijn woorden die hun onschuld hebben verloren. 'Zionist' is er zo een. Ooit een beschrijving van mensen die geloofden dat het Joodse volk recht had op een thuisland, is het woord inmiddels in brede kring gedegradeerd tot scheldwoord, geflankeerd door gespuug of een denigrerende lach. Wie zichzelf vandaag de dag openlijk zionist noemt in progressieve Europese kringen, doet dat met het gevoel alsof hij tijdens een DEI-training opmerkt dat meritocratie eigenlijk best een goed idee is. Je wacht op de stilteval. Die stilteval ken ik. Ik ben een zionist. En ik ga uitleggen wat ik daarmee bedoel, en waarom dat onderscheid er inmiddels toe doet als nooit tevoren.
Laat me beginnen met een observatie die misschien frivool lijkt maar dat geenszins is: antisemitisme is in de westerse wereld aan een merkwaardige metamorfose onderhevig. De klassieke variant, die van de toog en de kerk en de stamtafel, was in elk geval eerlijk over zichzelf. Je wist met wie je te maken had. Het nieuwe antisemitisme is subtiel gekleed in de taal van mensenrechten, dekolonisatie en sociale rechtvaardigheid, en daarin schuilt precies het gevaar ervan. Het heeft een academische couture aangemeten gekregen. Het draagt vlinderdas in plaats van bruinhemden.
In Nederland manifesteert dit zich op een manier die historisch bijzonder ongemakkelijk is. Dit land verloor driekwart van zijn Joodse gemeenschap tijdens de Tweede Wereldoorlog, mede dankzij een bestuurlijk apparaat dat zijn taken ijverig bleef uitvoeren, keurig op tijd, met de juiste formulieren in drievoud. Wat dat apparaat demonstreerde was niet zozeer boosaardigheid als wel iets veel alledaagsers: de bereidheid om weg te kijken, om het probleem bij de buurman te laten, om de verantwoordelijkheid netjes door te schuiven naar de volgende schakel in de keten. Die houding is niet met de bevrijding verdwenen. Ze heeft zich slechts aangepast aan de tijd.
Want als november 2024 iets heeft bewezen, dan is het dat de reflex om weg te kijken springlevend is. Toen Joodse voetbalsupporters na een Europa League-wedstrijd door Amsterdam werden opgejaagd door mannen op scooters, die hun slachtoffers via Telegram coƶrdineerden onder de noemer 'jodenjacht', zocht een deel van het politieke en intellectuele establishment naar 'context', naar 'beide kanten', naar de 'complexiteit van het conflict'. Alsof er complexiteit bestaat in het feit dat mensen door een stad worden opgejaagd als wild, op dezelfde novemberbodem waar tachtig jaar eerder razzia's plaatsvonden. Dat soort morele aerobics vergt jaren academische training, maar levert weinig op voor de man die bloedend in een portiek zit.
Dan het begrip zelf, want het verdient een bondige intellectuele schoonmaak. Zionisme is in de kern de politieke beweging die in de negentiende eeuw het idee belichaamde dat Joden, als volwaardig volk, recht hebben op zelfbeschikking in hun historisch thuisland. Theodor Herzl, de Weense journalist die het moderne zionisme codificeerde in zijn befaamde 'Der Judenstaat' uit 1896, deed dit niet vanuit religieus fanatisme maar vanuit nuchtere analyse: zolang Europa Joden behandelde als eeuwige gasten wier verblijfsvergunning kon worden ingetrokken bij elk politiek onweer, was assimilatie een illusie. De geschiedenis heeft Herzl gelijk gegeven op een manier die niemand had gewenst.
Wie het woord 'zionist' vandaag gebruikt als synoniem voor 'militarist' of 'kolonisator' toont niet alleen historische ongeletterdheid, maar ook een selectief moreel kompas dat werkelijk bewonderenswaardig is in zijn inconsequentie. Nationalisme voor nagenoeg elk ander volk is respectabel, bevochten, beschermwaardig. Joods nationalisme is de uitzondering. Die asymmetrie is op zichzelf informatief, en ik raad iedereen aan er een moment bij stil te staan, want het ongemak dat dat stilstaan oplevert is precies het ongemak dat vruchtbaar is.
Ik ben een zionist in de zin dat ik geloof in het bestaansrecht van de staat Israël als thuisland voor het Joodse volk. Dat betekent niet dat ik elke maatregel van elke Israëlische regering steun, evenmin als een fervent democraat elke beslissing van Den Haag voor zijn rekening neemt. Kritiek op beleid is de kern van democratisch engagement. Maar wie de legitimiteit van Israëls bestaan zelf betwist, vraagt iets van het Joodse volk dat hij van geen enkel ander volk zou vragen: namelijk het opgeven van de enige plek ter wereld waar hun veiligheid institutioneel verankerd is. En die institutionele verankering is niet abstract. Ze is actueel. In de context van een Europa waar de aanwezigheid van een keppeltje in bepaalde wijken van Amsterdam, Brussel of Parijs een risicoafweging vergt, is de vraag 'waarom hebben Joden een eigen staat nodig?' niet filosofisch. Ze is ronduit pijnlijk naïef.
Nederland staat voor een keuze die het liever niet maakt, want Nederlanders zijn van nature liever pragmatisch dan principieel, liever polderend dan polariserend. Maar het poldermodel heeft zijn grenzen. Antisemitisme gedijt in een klimaat van halve veroordelingen, voorzichtige formuleringen en electorale calculaties. Neem de leuze 'From the river to the sea, Palestine will be free'. Die klinkt op de Nederlandse universiteiten, bij demonstraties en zelfs in de Tweede Kamer door mensen die zichzelf progressief noemen. Maar wat die zin zegt, als je hem serieus neemt, is dat de staat Israƫl niet bestaansrecht heeft. Dat er tussen de Jordaan en de Middellandse Zee geen ruimte is voor een Joodse staat. Dat zeven miljoen Israƫlische Joden ergens anders maar een oplossing voor zichzelf moeten bedenken. Wie dat roept als politieke poƫzie, vraagt om een serieus gesprek over wat hij eigenlijk bedoelt. Wie het roept en de inhoud wel degelijk meent, heeft de grens van legitieme politieke kritiek verlaten en staat op het terrein van een ideologie die de westerse beschaving al eerder tot haar dieptepunt heeft gebracht.
De discussie over Israƫl en de Palestina is legitiem en noodzakelijk, maar die discussie mag niet fungeren als verlengstuk van ronduit anti-Joods sentiment. De man die 'zionist' roept als hij een Joodse medeburger bedoelt, maakt een conceptuele fout die noch academisch noch moreel aanvaardbaar is. En de bestuurder, de politicus, de rector magnificus die dat laat passeren uit angst voor ophef, maakt een andere fout, een die we in dit land eerder hebben gemaakt. Ik verwacht van mijn land dat het die duidelijkheid opbrengt. Niet vanwege Israƫl, niet vanwege de internationale betrekkingen, maar vanwege het simpele feit dat er Joodse Nederlanders zijn die de veiligheid en waardigheid verdienen die alle andere Nederlanders als vanzelfsprekend beschouwen.
Dus ja: ik ben een zionist. Geen onverdeeld bewonderaar van elke Israƫlische beleidscoalitie, geen propagandist, geen hater van Palestijnen, geen vijand van vrede. Maar wel iemand die gelooft dat het Joodse volk recht heeft op zelfbeschikking, op veiligheid, op een plek in de wereld waar 'nooit meer' niet alleen een slogan is maar een architectonisch principe. Wie dat woord gebruikt om mij te kleineren, onthult meer over zichzelf dan over mij. En wie er ongemakkelijk van wordt dat ik het gewoon uitspreek, mag zich in stilte afvragen waarom dat zo is. Dat ongemak, daar zit de eigenlijke analyse.
TEL AVIV (ANP/AFP) - De Amerikaans-Israƫlische oorlog tegen Iran is pas voorbij als de Iraanse voorraad verrijkt uranium is "verwijderd". Dat zegt de Israƫlische premier Benjamin Netanyahu in een fragment van het Amerikaanse programma 60 Minutes van CBS. "Het is nog niet voorbij, want er is nog steeds nucleair materiaal", benadrukt Netanyahu.
"Je gaat erheen en je haalt het eruit", antwoordt hij op de vraag hoe het uranium verwijderd kan worden. Bij voorkeur na een overeenkomst met Iran. Volgens Netanyahu heeft de Amerikaanse president Donald Trump een vergelijkbare mening.
De Israƫlische premier stelt dat nog andere oorlogsdoelen bereikt moeten worden. "Er zijn nog steeds proxy's die Iran steunen, hun ballistische raketten die ze nog steeds willen produceren. We hebben er al veel van onschadelijk gemaakt, maar het is er nog steeds en er is werk aan de winkel."
Het hele interview wordt zondagavond laat uitgezonden.