“Kiest u migrant A of B?” was de onderzoeksvraag. Een manier om bloot te leggen welke migranten burgers eerder accepteren. Opleiding, leeftijd, taalvaardigheid, religie, gezinssituatie, vluchtreden: alles kan worden gevarieerd, gemeten en netjes in grafieken gezet. En inderdaad, zulke studies kunnen iets belangrijks laten zien. Niet wat rechtvaardig is, maar wat mensen aantrekkelijk vinden.
Maar als je weet welke migrant het best verkoopt, ontstaat de verleiding om migratiebeleid daarop af te stemmen. De jonge, werkende, goed opgeleide migrant. De migrant die onze taal al spreekt. De migrant die cultureel niet te veel schuurt. De vluchteling met het begrijpelijke verhaal, het fotogenieke kind, de herkenbare wanhoop. De migrant die geen beroep doet op solidariteit, maar op sympathie.
Wie draagvlak wil behouden, moet weten waar dat draagvlak zit. Maar draagvlak is geen moreel kompas. Het kan net zo goed registreren waar onze vooroordelen, angsten en hiërarchieën zitten. Bovendien is draagvlak geen natuurverschijnsel. Het wordt gevormd door politieke keuzes, framing, media-aandacht, beleidstaal en jarenlange campagnes waarin migratie vooral als probleem, last of dreiging is gepresenteerd. Politiek hoort dus niet simpelweg achter de publieke opinie aan te hobbelen. Het is ook de taak van politiek om draagvlak te creëren voor wat juridisch noodzakelijk en moreel verdedigbaar is.
Daarbij wordt vaak gedaan alsof migratie vooral een humanitaire of culturele kwestie is, terwijl ze voor een groot deel gewoon door de markt wordt georganiseerd. Arbeidsmigranten komen niet omdat abstracte kosmopolieten dat zo gezellig vinden, maar omdat werkgevers personeel zoeken voor kassen, distributiecentra, slachterijen, bouwplaatsen, universiteiten, ziekenhuizen en huishoudens. De economie selecteert voortdurend migranten: gewenst zolang ze gaten vullen, ongewenst zodra ze zichtbaar worden als bewoners, buren of ouders met rechten.
Daarmee komt migratiebeleid dicht bij liefdadigheid. Niet bij rechten, maar bij gunst. We verwelkomen degene die het beste in ons zelfbeeld past: dankbaar, nuttig, herkenbaar, niet te boos, niet te vreemd. De ander, met hetzelfde recht op bescherming of verblijf, valt buiten beeld omdat hij minder goed in het verhaal past. Minder knuffelbaar. Minder verkoopbaar. Minder geschikt voor de campagnefoto.
Bij arbeidsmigratie kun je nog zeggen dat selectie onderdeel is van beleid. Staten maken keuzes over economische behoeften, sectoren en aantallen. Maar zelfs dat is vaak mooier geformuleerd dan het is. In werkelijkheid wordt veel selectie al vooraf gedaan door werkgevers, uitzendbureaus, sectoren met lage lonen en consumenten die goedkope producten en snelle bezorging normaal zijn gaan vinden. De staat doet vervolgens alsof hij boven de markt staat, terwijl hij die markt al jaren laat bepalen wie hier nodig is.
Bij vluchtelingen ligt dat anders. Wie bescherming nodig heeft omdat terugkeer gevaarlijk is, hoort niet afhankelijk te zijn van populariteit. De vraag is dan niet of wij iemand aardig, nuttig of cultureel nabij vinden. De vraag is of iemand gevaar loopt. Als het antwoord ja is, wordt onze voorkeur secundair.
In de discussie over dit onderzoek zit daarom een terechte waarschuwing: bij vluchtelingen is de keuze tussen migrant A en migrant B vaak een fictie. Het Vluchtelingenverdrag vraagt niet wie wij het meest sympathiek vinden, maar wie bescherming nodig heeft. Dat maakt het onderzoek mogelijk problematisch, maar niet waardeloos. Het kan juist blootleggen welke voorkeuren, angsten en reflexen meespelen in het publieke oordeel. Maar dan moet je die uitkomsten behandelen als diagnose, niet als selectie-instrument. Wie van zulke data een marketingmodel maakt voor migratiebeleid, verwart draagvlak met rechtvaardigheid. En daar ligt, in het huidige politieke klimaat, het gevaar. Want de kans is groot dat het zo gebruikt zal gaan worden.
Ik pleit hier niet voor een verbod op zulke studies. Ze kunnen laten zien hoe selectief onze empathie werkt. Het kan zichtbaar maken dat “humaniteit” vaak pas begint bij herkenbaarheid. De alleenstaande jonge man is daarbij vaak de minst aaibare figuur in het debat. Maar zijn lage sympathiescore zegt niets over de vraag of hij vervolgd wordt, oorlog ontvlucht of bij terugkeer gevaar loopt.
Ethisch gebruik betekent dus: blootleggen waar draagvlak discrimineert, niet discriminatie efficiënter organiseren. Gebruik de data om communicatie te verbeteren, zonder rechten afhankelijk te maken van populariteit. Gebruik ze om te begrijpen waar weerstand vandaan komt, zonder te doen alsof het onderzoek zelf al verklaart waarom die weerstand bestaat. Een voorkeurenonderzoek meet de uitkomst van publieke opinie, niet de politieke en maatschappelijke productie ervan. Juist daarom moet politiek meer doen dan registreren welke migrant het beste ligt. Zij moet uitleggen, begrenzen, corrigeren en verantwoordelijkheid nemen voor rechten die ook gelden wanneer ze electoraal slecht verkoopbaar zijn.
Want de echte test van een rechtsstaat is niet hoe hij omgaat met de migrant die iedereen graag wil helpen. Die test begint bij de migrant die niemand op een poster wil zetten, maar die wel gevaar loopt als hij wordt teruggestuurd.
Dank aan Emiel voor het posten van de link naar het Trouw-artikel in het Sargasso Café, en aan de reageerders daar voor de discussie. Een aantal punten uit die bijdragen is in dit stuk verwerkt.