COLUMN - Iemand zou eens onderzoek moeten doen naar de wetenschapscommunicatiewetenschap, de tak van wetenschap die zich bezighoudt met de communicatie over wetenschap. Het is logisch dat wetenschappers en journalisten die de wereld uitleggen hoe wetenschap werkt, wat de wetenschap oplevert en wat we met die inzichten kunnen, zelf nadenken over de vraag of je ook wetenschappelijk kunt vaststellen of al dat gecommuniceer ook werkt.
Een kwestie daarbij is dat heel veel wetenschapscommunicatie over science gaat, natuurwetenschap, en wetenschapscommunicatiewetenschap natuurlijk zelf geen science is, maar een sociale of eventueel een geesteswetenschap. Het vak zit, misschien mede daardoor nog niet zo stevig in elkaar, en mijn indruk is dat een heleboel wetenschapscommunicatiewetenschap vooral bestaat uit pogingen om aan te tonen dat er nog onvoldoende wetenschapscommunicatiewetenschap op niveau is.
Een recent artikel van Aart van Stekelenburg en collega’s probeert wat helderheid te scheppen in de verwarring. (Ik moet hier erbij zeggen dat Van Stekelenburg net als ik in Nijmegen werkt, maar bij een andere faculteit – ik heb hem helaas nog nooit ontmoet). Het bestaat uit twee delen: het legt eerst het probleem uit van de allerbekendste theorie uit het vak, het deficietmodel, en probeert dit vervolgens te vervangen door iets beters.
Het probleem met dat deficietmodel is dat het niet echt bestaat. Het wordt vooral gebruikt als een stropop door mensen die zich er tegen afzetten. Het zegt ongeveer dat mensen die tegen de wetenschap ingaan, zullen veranderen als ze eenmaal in aanraking komen met wetenschappelijke feiten of inzichten. Maar ongeveer is hier het sleutelwoord: iedereen gebruikt zijn eigen versie als stropop: gaat het om feiten of inzichten? gaat het om een houding die verandert of gedrag dat verandert? Enzovoort. Van Stekelenburg en zijn medeauteurs namen een grote hoeveelheid literatuur door, maar een goede versie van het model viel er niet uit te destilleren.
Dat mensen zich ertegen af zetten is in die zin ook niet terecht: ze zetten zich af tegen iets dat niet duidelijk is. En dat afzetten gebeurt soms op ideologische gronden. Het deficietmodel suggereert immers dat het de bedoeling is om mensen richting de wetenschap te bewegen, en sommige mensen vinden dat te ver weg staan van de doelstellingen van objectieve en neutrale verslaggeving. Het klinkt een beetje schoolmeesterachtig: als jij maar weet wat ik weet, dan kom je ook wel tot betere inzichten.
Van Stekelenburg en zijn medeauteurs komen met een model dat wat steviger zou moeten zijn, omdat het preciezer is. Ze noemen het het Empowerment model. Ik geloof dat die laatste term vooral gekozen is als weerwoord tegen de genoemde kritiek: hier wordt niet een tekort opgeheven, hier worden mensen sterker gemaakt. Door kennis over de wetenschap!
Het idee is dus dat er drie stappen zijn: wie wetenschappelijke informatie tot zich neemt, krijgt meer wetenschappelijke kennis (stap 1); wie meer wetenschappelijke kennis heeft, past zijn overtuigingen over hoe de wereld in elkaar zit aan (stap 2); en beide stappen worden versterkt als iemand inzicht heeft in hoe de wetenschap werkt (‘science literacy’, stap 3). Dat klinkt allemaal best logisch; het voordeel is dat je ieder van de stapjes betrekkelijk eenduidig zou moeten kunnen testen. Ik geloof niet dat Van Stekelenburg en zijn medeauteurs denken dat dit nu het definitieve model is, maar het is in ieder geval een eerste stap op weg naar een serieuze wetenschapscommunicatiewetenschap.