COLUMN - Na de verschrikkelijke armoede van de post-Tokio jaren, kreeg ik op een gegeven moment een dak boven mijn hoofd en geld van de Sociale Dienst.
Ik had honger geleden, dus het eerste wat ik kocht was voedsel. Beleg bij Bossé Bossé (zo noemden de Wadada boys de slager op Wittenburg, en die naam is zijn hele loopbaan blijven kleven), vers wit brood, 1 pond varkensvlees en aardappelen. Dat waren de dingen die ik had gemist, omdat ze niet in de vuilnisbakken te vinden waren. Vlees wel maar was te link. Ik kocht ook tampons. Ook die vond je niet in de vuilnisbakken. Althans niet in maagdelijke staat.
In retrospectief onvoorstelbaar: het lukte me om te sparen. Getraumatiseerd door de jaren van ontbering, moest en zou ik een appeltje voor de dorst achter de hand hebben. Bovendien was ik gewend geraakt aan indigentie, woonde ik gratis op de Witte Raaf, en verder had je in die tijd nog niet voor elk wissewasje een duur abonnementen nodig. Vriend Willem Otten, die goed boerde en wist van beleggen zei: “Koop er dollars van. De koers is nu extreem laag.”
Dus dat deed ik braaf. Bij mijn bank, de ABN, filiaal op de Sarphatistraat te Amsterdam.
6 biljetten van 100 US$. Totaal $600,-
Een rib uit mijn lijf.
Ik stopte ze in een pot Completa en verborg ze onder de planken vloer van de boot.
Een jaar later of zo ging de koers warempel omhoog en toog ik naar het bankfiliaal.
Op de fiets, met mijn pot Completa, uit de romp van de boot gevist, met stof bedekt.
6 biljetten op de toonbank gelegd.
Door de machine: vals! Alle 6.
“Die zijn vals, we nemen ze in.”
“Heee!”
“Wees blij dat wij de politie er niet bij halen.”
Hádden ze maar de politie erbij gehaald. Of beter: had ik dat maar zélf gedaan. Ik was te jong en te allochtoon om te protesteren. Om de consequenties te overzien. Om te begrijpen dat ook al kon ik niet bewijzen dat het om echt dezelfde biljetten ging, aangifte doen juist in mijn voordeel zou werken.
En in het voordeel van het algemeen belang. Want dan zouden journalisten dat verhaal vinden als ze zochten naar criminele activiteiten bij banken, witwassen en dies meer. In plaats dat dat nu al 40 jaar in de doofpot is gebleven.
Wat ik wel deed, is brieven sturen naar de grote kranten. Volkskrant, NRC, Parool, Trouw. Geen gehoor (vrij herhaald): “Zeg, je denkt toch niet dat wij onze grootste adverteerder tegen de scheenbenen gaan schoppen voor jouw schamele 600 dollars?” Maar waar het mij om ging was het vermoeden dat de bank op die manier stelselmatig van haar valse biljetten af kon komen. Een verdomd dichtgetimmerd en slim systeem op de keper beschouwd.
Ik moet deze brief (ik meen van de NRC) nog ergens hebben. Ik hoop dat die de talloze verhuizingen heeft overleefd.
Door deze schade/schande wijs gemaakt, stond ik er voortaan op dat de valuta die ik inkocht (natuurlijk bij een andere bank, in casu de Postbank of hoe die destijds nog heette en meestal om naar Frankrijk te reizen), ook door de machine werden gehaald.
Dat mocht niet.
Maar als ik bij thuiskomst over had, en dat overschot ging terugwisselen, dan dát weer wél.
Elke keer stond ik er stampvoetend en ondertongs briesend bij als de beambte de vodden in de gleuf stopte.
Eigenlijk had ik juist moeten hopen dat het weer eens bliepte. Want dan had ik eindelijk een kans om de politie erbij te halen en deze onrechtmatige praktijk aan de grote klok te hangen.
Dat laatste bij dezen.

