
Noot van de redactie: de afgelopen tijd plaatsten wij regelmatig ingestuurde stukken van Ehsan Jami, ooit beroemd ex-moslim en tegenwoordig promovendus bestuurskunde in Leiden. Omdat wij van GeenStijl die graag lazen en Ehsan ze graag schreef, hebben we maar bedacht de verbintenis permanent te maken. Vanaf nu dus iedere eerste zondag van de maan: een (semi-)longread van Ehsan. We zijn nog wel op zoek naar een kekke naam voor de rubriek die de lading wat beter dekt dan 'Jamaar Jahmi', uw ideeën graag in de comments hieronder.
Wat ons Nederlanders maakt
Het probleem van het debat over de Nederlandse identiteit is niet dat het te vaak wordt gevoerd, maar dat het te lang is gedomineerd door degenen die het bestaan ervan ontkenden of het begrip reduceerden tot een instrument van uitsluiting. Progressieven deden alsof nationale identiteit een achterhaald sentiment was, iets tussen folklore en verdacht conservatisme in. Nationalisten vullen nu de leegte met woorden als 'omvolking', 'remigratie' en het onderscheid tussen 'echte' en 'juridische' Nederlanders.
Zo wordt een wezenlijke vraag, wat maakt ons Nederlanders, eerst ontkend en daarna vergiftigd. De recente uitspraken van de FvD-leider in de Tweede Kamer zijn daarom niet zomaar incidenten. Zij zijn het symptoom van een dieper probleem. Wie jarenlang weigert te erkennen dat mensen behoefte hebben aan herkenning, continuïteit en culturele veiligheid, moet niet verbaasd zijn dat anderen die behoefte in harde, rancuneuze taal gaan exploiteren. Politiek verdraagt geen vacuüm. Waar geen volwassen verhaal over nationale identiteit wordt verteld, verschijnt vroeg of laat een primitief verhaal, eenvoudig genoeg voor op een spandoek.
Ik geloof dat Nederland een gezamenlijke identiteit heeft. Niet als etnisch bezit, niet als gesloten erfstuk, niet als nostalgisch museum waar de suppoost bij de ingang controleert of uw achternaam wel voldoende inheems klinkt. Maar wel als historische, culturele en politieke gemeenschap. Nederland is gevormd door taal, rechtsstaat, vrijheid van geweten, bestuurlijke nuchterheid, sociale verplichtingen, wantrouwen jegens macht en de koppige overtuiging dat niemand boven kritiek staat.
Juist daarom is het zo kwalijk dat het debat over identiteit is overgelaten aan twee slechte instincten: ontkenning en uitsluiting. Voor de ontkenners is Nederland weinig meer dan een bestuurlijke ruimte met publieke voorzieningen. Voor de uitsluiters is het een bezit dat alleen toekomt aan wie de juiste afkomst heeft. Beide posities zijn armoedig.
Daar ligt het gelijk van de onvrede, niet van het FvD-antwoord. Natuurlijk voelen mensen zich ongemakkelijk wanneer in korte tijd grote groepen migranten binnenkomen met soms diametraal andere opvattingen over religie, man-vrouwverhoudingen, homoseksualiteit, eer, vrije meningsuiting en rechtsstaat. Dat ongemak is niet per definitie xenofobie. Soms is het simpelweg het gevolg van burgers die hun omgeving zien veranderen, terwijl de bestuurlijke bovenlaag hen met keurige beleidszinnen probeert te overtuigen dat zij vooral niet moeten geloven wat zij dagelijks ervaren. Dat is een bijzondere vorm van minachting: iemand die zijn straat ziet veranderen verwijten dat hij het nieuwe straatbeeld niet onmiddellijk als verrijking ervaart.
Daarom was de progressieve reflex zo schadelijk. Wie zorgen over migratie jarenlang wegzet als moreel verdacht, moet niet verbaasd zijn wanneer kiezers terechtkomen bij partijen die van morele verdachtmaking hun handelsmerk hebben gemaakt. Democratie straft niet alleen slecht beleid af, maar ook morele hoogmoed. Wie redelijke zorgen niet wil horen, creëert ruimte voor onredelijke antwoorden. Wie serieus over integratie wil spreken, moet dus niet beginnen met morele verontwaardiging, maar met eerlijkheid.
Nederland heeft een gedeelde identiteit, die identiteit verdient bescherming en migratie kan haar onder druk zetten wanneer aantallen, tempo en culturele afstand te groot worden. Van nieuwkomers mag worden gevraagd dat zij zich niet alleen juridisch, maar ook normatief tot Nederland verhouden. De Nederlandse rechtsstaat is geen servicebalie waar men rechten ophaalt en plichten laat liggen.

Daarmee komen we bij een ongemakkelijke vraag die zelden eerlijk wordt gesteld. Niet alleen: wie mag Nederlander worden? Maar vooral: voelen alle Nederlanders die hier wonen zich eigenlijk nog wel Nederlander? Dat geldt vooral voor Nederlanders met een migratieachtergrond. Velen zijn volwaardig onderdeel van dit land, spreken de taal, dragen bij en herkennen zich in de Nederlandse rechtsstaat, geschiedenis en instituties.
Maar het zou even naïef zijn om te ontkennen dat er ook een deel is dat wel het Nederlandse paspoort heeft, maar zich nauwelijks identificeert met Nederland als gedeelde politieke en culturele gemeenschap. Dat vraagt iets van nieuwkomers en van Nederlanders met een migratieachtergrond. Wie hier leeft, kan zich niet permanent buiten het nationale verhaal plaatsen en tegelijk verwachten dat de samenleving vanzelf blijft functioneren. Men kan niet alle voordelen van een liberale rechtsstaat genieten en tegelijk de morele fundamenten ervan verachten. Men kan niet in Nederland wonen alsof het slechts een economische verblijfplaats is, terwijl de echte loyaliteit elders ligt. Nederland is geen pinautomaat met een volkslied.
Maar het vraagt óók iets van gevestigde Nederlanders. Zij moeten het Nederlanderschap niet behandelen als familiebezit. Een nationale identiteit die alleen veilig is zolang zij niet gedeeld wordt, is geen identiteit maar angst. Wie werkelijk trots is op Nederland, moet durven geloven dat mensen zich dit land eigen kunnen maken.
Juist daarom is het onderscheid tussen een 'echte' en een 'juridische' Nederlander zo gevaarlijk. Het wijst een reëel probleem aan, om het vervolgens verkeerd te beantwoorden. Wie Nederlanderschap reduceert tot afkomst of huidskleur, maakt van nationale identiteit geen gedeelde opdracht, maar een gesloten erfstuk. Dan wordt burgerschap een examen dat nooit eindigt, afgenomen door mensen die zichzelf bij voorbaat geslaagd hebben verklaard. Dat is geen zelfbewuste natie, maar onzekerheid vermomd als nationale trots.
De progressieve fout was de ontkenning van identiteit. De nationalistische fout is de verenging ervan. De eerste maakt van Nederland een leeg contract. De tweede maakt van Nederland een gesloten stam. Beide doen het land tekort. Nederland is geen etnisch bezit, maar ook geen cultureel niemandsland. Het is een historische rechtsgemeenschap met een eigen taal, geheugen, cultuur, normen, instituties en manieren van samenleven. Het is een gemeenschap die open kan zijn voor wie zich werkelijk wil verbinden aan haar taal, geschiedenis, vrijheden en rechtsstaat.
Daarom pleit ik voor een stevige Nederlandse identiteit. Niet als hek om het verleden, maar als fundament onder de toekomst. Zij wantrouwt nieuwkomers niet bij voorbaat, maar maakt wel helder wat hier niet onderhandelbaar is. Zij neemt gevestigde Nederlanders serieus in hun behoefte aan herkenning en continuïteit. En zij stelt iedere burger dezelfde vraag: ben je werkelijk onderdeel van deze gemeenschap, of ben je slechts administratief aanwezig?
De vraag is dus niet of een Nederlandse identiteit bestaat. Natuurlijk bestaat zij. De werkelijke vraag is of wij nog de moed hebben haar inhoud te geven zonder haar te misbruiken. Want een land dat zijn identiteit ontkent, valt uiteen in groepen. Maar een land dat burgerschap versmalt tot afkomst, houdt geen natie over, maar een stamboom met grenzen. Nederland verdient beter dan beide vormen van intellectuele gemakzucht.
Doneer hier
