De berichtgeving over de afsplitsing bij de PVV legt een duidelijke prioriteit bloot. In analyses verschijnt stabiliteit als doorslaggevend criterium. Het woord “kansen” valt snel, alsof het ontstaan van deze nieuwe fractie vanzelf al vooruitgang betekent. Inhoud volgt later, zo lijkt het. Of verdwijnt misschien zelfs wel naar de achtergrond.
Die framing wordt expliciet gemaakt door Rob Jetten, die zoals gezegd stelt dat de nieuwe fractie kansen biedt. Er komt een opvallend onderscheid bovendrijven: het probleem met de PVV lijkt misschien uiteindelijk minder te liggen bij haar standpunten dan bij de onvoorspelbaarheid van haar leider. Dat oordeel geldt, zo lijkt het, ook binnen D66. De PVV geldt daarmee als ongeschikt door haar vorm, niet door haar inhoud. Zodra de factor Wilders wordt afgezwakt, komt samenwerking binnen bereik. Jetten vraagt zich voor de vorm nog wel even af welke koers de nieuwe fractie gaat varen, maar die vraag kan hij zelf ook wel beantwoorden.
Dus kansen? Welke kansen zijn dat precies? En voor wie? Het antwoord op de vraag lijkt procedureel: onderhandelingsmacht in een minderheidsconstructie. Dat klinkt bestuurlijk volwassen en rationeel. Het blijft tegelijk leeg. Procedure wordt doel. Het parlementaire schaakbord verschuift en dat heet winst. het zijn in ieder geval geen kansen voor de rechtsstaat en voor al gemarginaliseerde groepen, want over de richting gaat het niet.
Die richting laat zich ondertussen goed voorspellen. Een minderheidskabinet dat afhankelijk raakt van steun rechts van de VVD (dat zichzelf ook al goedddeels buiten het centrum heeft geplaatst), schuift structureel mee. Elke onderhandeling verlegt het referentiekader en het Overtonwindow. Taal, nergens op gebaseerde probleemdefinities en aannames uit extreemrechtse hoek worden nog meer onderdeel van het normale politieke verkeer. Wat eerder grensoverschrijdend heette, verandert in bespreekbaar. Gewenning doet de rest.
Zo gaat dit minderheidskabinet nog meer bijdragen aan normalisering van rechts-extreem gedachtengoed. Niet direct een spectaculaire breuk, maar wel dagelijkse praktijk. Stabiliteit fungeert als excuus om inhoudelijke grenzen op te schuiven. Wat werkt voor de meerderheid, krijgt voorrang boven wat klopt binnen de rechtsstaat.
Ook opvallend is hoe snel deze breuk omarmd wordt. Een nog niet eens opgedroogde fractie met meerdere omstreden leden van minder dan een dag oud en zonder staat van dienst ontvangt al het voordeel van de twijfel. Alsof de betrouwbaarheid ontstaat bij registratie in de Kamer. Er is geen stemgeschiedenis, geen zichtbaar respect voor constitutionele grenzen en voor minderheden. Toch wordt er al wel op voorgesorteerd.
Door politieke stabiliteit te verheffen tot hoogste waarde verschuift de morele meetlat. Een stabiele koers richting uitsluiting en rechtstatelijke ondermijning blijft ‘stabiel’ genoemd worden, ook al is deze dat niet. Een ‘stabiele afhankelijkheid’ van extreemrechts evenzeer. Zodra dit soort stabiliteit voldoende is, verdwijnt de vraag wat er eigenlijk wordt gestabiliseerd. Dat zegt weinig over kansen en veel over hoe laag de lat inmiddels ligt. En weinig over de grote groepen Nederlanders voor wie de stabiliteit juist afneemt door deze ontwikkelingen.