We leven in een tijdperk waarin het wantrouwen tegen instituties groeit, online gemeenschappen elkaar versterken in complotdenken en ondertussen ligt het woord ‘doofpot’ in politieke debatten altijd op de loer. Maar volgens nieuw psychologisch onderzoek is dit niet puur een socialemediaprobleem.
Het zit dieper: in onze manier van denken. Waarom complottheorieën zo verleidelijk zijn en feiten weinig helpen. Onder leiding van Adrian Furnham van de Norwegian Business School onderzochten wetenschappers wat complotdenkers geloven en vooral waaróm. Hun studie, die onlangs is gepubliceerd in vakblad Applied Cognitive Psychology, legt een opvallend patroon bloot.
De sterkste voorspeller van complotdenken bleek niet opleiding, leeftijd of intelligentie te zijn, maar een lage tolerantie voor ambiguïteit (dubbelzinnigheid). Dit is het verschijnsel waarbij een woord, zin, tekst of afbeelding op meer dan één manier geïnterpreteerd kan worden. Mensen die slecht tegen onzekerheid kunnen, hebben moeite met complexe en rommelige verklaringen.
De willekeur van het leven maakt hen onrustig. Een complottheorie biedt dan houvast: chaos verandert in een strak verhaal waarin iemand de touwtjes in handen heeft en iemand anders de schuld draagt. Zo’n verhaal is overzichtelijk en krachtig. Het laat de nuance en complexiteit van de werkelijkheid achterwege. Het verhaal is misschien vergezocht, maar het is wel duidelijk.
De tweede doorslaggevende factor is het gevoel dat de wereld fundamenteel onrechtvaardig is. Wie de samenleving ziet als corrupt of gemanipuleerd, vindt in complottheorieën een moreel kader. Als het systeem kapot voelt, is het geruststellend te denken dat een verborgen groep het bewust heeft gesaboteerd.
Deze eigenschappen kwamen vooral naar voren bij jongere mannen, met sterke religieuze overtuigingen en rechts georiënteerde politieke standpunten. Ook zagen onderzoekers vaker een autoritaire inslag: rigide denken en een duidelijk ongemak bij nuance.
Een intrigerende bijvangst van het onderzoek: complottheorieën zijn niet uitwisselbaar. Iemand kan heilig overtuigd zijn van de ene theorie en een andere belachelijk vinden. Verschillende theorieën vervullen verschillende psychologische behoeften, maar één behoefte overheerst: zekerheid in een onzekere wereld.
Daarom veranderen feiten zelden iemands overtuiging. Complotdenken draait volgens de onderzoekers om coping: omgaan met onzekerheid, onrecht en chaos. Wie dat niet leert verdragen, zal blijven zoeken naar verklaringen, hoe vergezocht ook.
Bron: Applied Cognitive Psychology