Een groep van ongeveer 1.400 huishoudens droeg tussen 2011 en 2019 gemiddeld zo'n 28 procent van het inkomen af aan de fiscus. Midden- en hogere inkomens kwamen in diezelfde jaren uit op 30 tot 35 procent. Niemand deed daarbij iets wat niet mag. Dat is precies wat het verhaal ongemakkelijk maakt.
Het belastingstelsel is op papier progressief: hoe meer je verdient, hoe hoger het tarief. In de praktijk knikt die lijn helemaal aan de top weer naar beneden. De reden is geen sluiproute maar een ontwerpkeuze: loon wordt zwaarder belast dan winst en vermogen, en wie zijn inkomen in een bv laat zitten, kan de afrekening jarenlang uitstellen.
|
Inkomensgroep |
Belastingdruk 2011–2019 |
Reële inkomensgroei 2011–2019 |
Gemiddeld inkomen 2019 |
|
Top 0,01% (circa 1.400 huishoudens) |
±28% |
+70% |
ruim € 13 mln |
|
Top 1% |
– |
– |
±€ 600.000 |
|
Midden- en hogere inkomens |
30–35% |
– |
– |
|
Laagste inkomensgroepen |
– |
+4 tot +8% |
– |
Zeventig procent erbij aan de top, vier tot acht procent onderaan. Over dezelfde acht jaar, in hetzelfde land.
Waarom de curve aan de top afbuigt
Het inkomen van de allerhoogste groep bestaat nauwelijks uit salaris. Het zijn bedrijfswinsten en beleggingsopbrengsten, en die ontwikkelden zich de afgelopen decennia veel gunstiger dan de lonen van werknemers en ambtenaren. Zolang die winst in de vennootschap blijft, is alleen de vennootschapsbelasting betaald.
Daar komt bij dat het stelsel ook binnen de middenklasse ongelijk uitpakt. Twee huishoudens met vrijwel hetzelfde brutoloon kunnen flink verschillen in wat er netto overblijft, afhankelijk van hypotheekrenteaftrek, pensioenopbouw en toeslagen. Wie huurt en geen pensioen opbouwt, betaalt effectief meer dan de buurman met een koophuis en dezelfde baan.
De tegenwerping die je erbij moet weten
Er is stevige kritiek op de rekenmethode, en die verdient een plek in het verhaal. In de berekening tellen ingehouden bedrijfswinsten mee als persoonlijk inkomen van de ondernemer, terwijl de belasting daarover nog niet is betaald. Wordt die winst later uitgekeerd, dan volgt alsnog 31 procent heffing bovenop de vennootschapsbelasting. Fiscalisten noemen het beeld daarom vertekend: de claim is niet weg, hij is uitgesteld.
Ook de suggestie dat Nederland nauwelijks herverdeelt, houdt geen stand. Het aandeel van de onderste helft van de inkomens stijgt door herverdeling van 19 naar 29 procent van het totaal. Alleen gebeurt dat vooral via uitgaven — zorg, onderwijs, toeslagen — en veel minder via de belastingheffing zelf.
En dan is er nog de conclusie die in vrijwel geen enkele kop terechtkwam, terwijl ze letterlijk in het rapport staat: het is niet duidelijk of in Nederland sprake is van een te hoge of een te lage ongelijkheid.
Het is niet duidelijk of in Nederland sprake is van een te hoge of een te lage ongelijkheid.
Wat er nu mee gebeurt
De staatssecretaris van Financiën noemt de boodschap niet nieuw en wijst op maatregelen die sinds 2019 zijn genomen: een tweede schijf in box 2, de wet tegen excessief lenen bij de eigen vennootschap, een hoger laag tarief in de vennootschapsbelasting. Het maximum pensioengevend loon wordt in 2025 en 2026 niet geïndexeerd, wat het fiscale voordeel van pensioenopbouw bij hoge inkomens beperkt.
De grootste ingreep ligt bij de Eerste Kamer: het wetsvoorstel om in box 3 het werkelijke rendement te belasten in plaats van een fictief rendement. Verder wordt gedacht aan hogere erf- en schenkbelasting en het schrappen van vrijstellingen — technisch eenvoudige aanpassingen, die politiek juist het gevoeligst liggen.
Intussen blijft de scheefheid vooral in het vermogen zitten, niet in het inkomen. De inkomensongelijkheid ligt met een Gini van 0,285 ruim onder het EU-gemiddelde. Voor vermogen is die 0,711. Dat gat, niet de loonstrook, is waar het debat de komende jaren over gaat.