
Nederland is een land geworden waarin het proces belangrijker is geworden dan vooruitgang. Een natie die ooit de zee terugdrong, krijgt nauwelijks een woonwijk gebouwd zonder eerst jarenlang te praten over stikstof, draagvlak, parkeerdruk en, inderdaad, vleermuizen. De Afsluitdijk zouden we vandaag vermoedelijk niet meer aanleggen. Er zou eerst een bestuurlijke verkenning worden opgetuigd naar een breed gedragen waterkerend perspectief.
Wij zijn het land van de regietafel, de taskforce en de conferentie met deelsessies. Als een probleem te groot wordt, nemen we geen besluit, maar beginnen we een programma of commissie. Werkt dat niet, dan volgt interbestuurlijk overleg. Levert dat weinig op, dan volgt een evaluatie. En levert ook die geen conclusie op, spreken we van een lerende aanpak. Dat klinkt stukken beter dan: we durven niet.
Er is woningnood, maar bouwen blijkt ingewikkeld. Er is netcongestie, maar aansluiten is ingewikkeld. Er is asielcrisis, maar grenzen sluiten is ingewikkeld. We hebben schijnbaar een stikstofcrisis en besluiten nemen is, u raadt het al, eveneens ingewikkeld. Ouderen verdwalen in formulieren, ondernemers lopen vast in vergunningen en jongeren wonen noodgedwongen tot ver na hun dertigste bij hun ouders. Gelukkig beschikken we over steeds betere dashboards waarop we de neerwaartse ontwikkeling nauwkeurig kunnen volgen.
De Nederlandse overheid is een machine geworden die uitstekend kan uitleggen waarom iets niet lukt. Vraag een willekeurige bestuurder waarom een project stilstaat en er volgt een sonate van verantwoordingspoëzie: een complex speelveld, bestuurlijke sensitiviteit en een groot aantal stakeholders. Het klinkt intelligent, en vaak is het dat ook. Juist daarin schuilt het gevaar: stilstand heeft in Nederland een academisch vocabulaire gekregen.
Bureaucratie begon als bescherming tegen willekeur, zodat macht kon worden gecontroleerd. Maar ergens onderweg is de waakhond een huisdier geworden dat op de bank ligt en gromt zodra iemand met een idee binnenkomt. De procedure beschermt niet alleen de burger tegen de overheid, maar steeds vaker de overheid tegen verantwoordelijkheid.
Daar zit de kern van het probleem. Niemand wil nog werkelijk eigenaar zijn van een besluit. Iedereen wil betrokken worden, maar niemand wil degene zijn naar wie wordt gewezen wanneer het verkeerd uitpakt. De bestuurder zoekt rugdekking, de ambtenaar vraagt om een helder mandaat en de jurist formuleert een voorbehoud.
En rond het geheel staat inmiddels een uitdijende schil van communicatieadviseurs. Zij zijn de afgelopen vijftien jaar niet alleen aangenomen om beleid uit te leggen, maar steeds vaker om de perceptie ervan te managen. Als het resultaat tegenvalt, wordt de boodschap aangescherpt. Als een besluit impopulair is, wordt gezocht naar het juiste frame. En als er nog geen besluit ligt, kan er altijd alvast een narratief worden ontwikkeld. Zo wordt communicatie, ooit bedoeld om het handelen van de overheid begrijpelijk te maken, soms een middel om het ontbreken van dat handelen professioneel te verpakken.
Hierdoor ontstaat een bestuurscultuur waarin zorgvuldigheid nauwelijks nog van lafheid te onderscheiden is. Wie niets doet, heeft zorgvuldig gehandeld. Wie wel iets doet, heeft een risico genomen. Alles wordt afgestemd, opnieuw afgestemd en daarna nog één keer voorgelegd. Het besluit sterft niet door openlijk verzet, maar ergens tussen het vooroverleg en de laatste schriftelijke ronde.

Die bestuurlijke verlamming is niet alleen het werk van ambtenaren. De politiek beloont haar. Een politicus die zegt dat mensen sommige problemen zelf moeten oplossen, wordt al snel kil genoemd. Een politicus die een actieplan aankondigt, oogt betrokken en daadkrachtig. Dus krijgen we actieplannen: tegen eenzaamheid, tegen armoede, voor bestaanszekerheid en vertrouwen.
Een probleem lijkt pas werkelijk te bestaan zodra het een logo heeft, met een projectleider, een klankbordgroep en een evaluatiekader. Aan het einde volgt een slotbijeenkomst met bitterballen, waar wordt vastgesteld dat de opgave complex blijft, maar dat er waardevolle inzichten zijn opgehaald.
De staat groeit niet alleen omdat politici en ambtenaren macht naar zich toe trekken, maar ook omdat burgers en bedrijven bij ieder ongemak om bescherming, compensatie of toezicht vragen. Vrijwel iedereen klaagt over bureaucratie, behalve wanneer de eigen subsidie of uitzonderingspositie aan de orde is. Dan heet diezelfde bureaucratie ineens rechtsbescherming.
Dat maakt ontregelen buitengewoon moeilijk: achter ieder formulier schuilt een incident dat bijna niemand zich nog herinnert. Elk loket is de versteende herinnering aan een bestuurlijke paniekreactie van jaren geleden. Wie regels wil schrappen, gooit dus niet alleen papier weg. Hij raakt belangen, zekerheden en vaak ook banen.
Nederland is bovendien een land geworden waarin conflict steeds vaker met onfatsoen wordt verward. We willen woningen bouwen zonder hinder, klimaatbeleid voeren zonder kosten en migratie beheersen zonder pijnlijke keuzes. We verlangen verandering, maar liever zonder verliezers. Dat kan niet. Dat is geen bestuur, maar kindermenu-politiek: iedereen mag kiezen zolang niemand iets krijgt wat hem niet bevalt.
Besturen betekent kiezen, en kiezen betekent dat niet iedereen zijn zin krijgt. Dat is geen gebrek aan beschaving, maar de onvermijdelijke prijs van verantwoordelijkheid. Wie die prijs niet wil betalen, vlucht in het proces, en daarin is Nederland buitengewoon bedreven geraakt. Een ondernemer die iets wil bouwen, hoort zelden hoe we dit mogelijk maken, maar vooral een overzicht van alles wat mis kan gaan. Tegen de tijd dat alle antwoorden zijn aangeleverd, is zijn Chinese concurrent alweer enkele productgeneraties verder. We zijn wereldkampioen proeftuinieren. Maar implementeren, opschalen, doorpakken? Rustig aan. Eerst een reflectiesessie.
Dit is geen pleidooi voor het gedachteloos slopen van de rechtsstaat. Een land zonder regels is geen vrije samenleving, maar willekeur met een goede marketingafdeling. Toch is niet elke regel heilig: sommige beschermen burgers tegen macht, andere beschermen instanties vooral tegen ongemak of aansprakelijkheid.
De vraag moet daarom eenvoudiger en harder worden gesteld: helpt dit Nederland vooruit? Helpt deze regel de woningzoekende, de ondernemer of de bestuurder die verantwoordelijkheid moet nemen? Of dient hij vooral om het handelen van het systeem achteraf van een rechtvaardiging te voorzien? Wanneer het antwoord op die laatste vraag 'ja' is, moet de regel verdwijnen. Niet na een nieuwe evaluatie of bestuurlijke verkenning. Gewoon schrappen.
Nederland is groot geworden door praktische intelligentie: koopmanschap, waterbouw en nuchterheid. De polder was ooit een manier om tegenstellingen te overbruggen en aan de slag te gaan. Nu lijkt zij vooral een methode om besluitvorming uit te stellen. Als we niet oppassen, worden we het eerste land dat ten onder gaat, niet aan oorlog of natuurramp, maar aan een overvolle map genaamd 'procesafspraken definitieve versie 7'.
Toch is vastgeroest niet hetzelfde als verloren. Roest kun je verwijderen, al moet je daarvoor durven schuren. Nederland heeft geen gebrek aan kennis, geld of goede bedoelingen. Het ontbreekt ons vooral aan bestuurlijke moed: de moed om te bouwen, te vertrouwen en keuzes te maken, ook wanneer niet ieder belang kan worden ontzien, en de moed om te erkennen dat zorgvuldig bestuur soms niet meer is dan een deftige naam voor georganiseerde stilstand.
Een land dat geen grote dingen meer durft te willen, krijgt vanzelf een kleine politiek. En kleine politiek produceert uiteindelijk vooral één ding: grote bureaucratie.
Doneer hier