Israël gebruikt het Eurovisiesongfestival volgens meerdere onderzoeken al jaren als propagandaplatform, met een door de regering-Netanyahu aangestuurde softpowercampagne die ver voorbij normale artiestenpromotie gaat.
Uit onderzoek van onder meer The New York Times en documenten die De Morgen publiceerde, blijkt dat Israëlische diplomaten sinds 2024 en 2025 actief Europese omroepen en regeringen hebben benaderd om deelname aan het Songfestival veilig te stellen, terwijl verschillende landen juist een boycot of uitsluiting overwogen vanwege de oorlog in Gaza. In interne e-mails tonen omroepbazen zich verbaasd dat ambassades zich met een muziekshow bemoeien, maar uit notulen blijkt dat de EBU zelfs een noodstemming over de Israëlische deelname voorbereidde, die uiteindelijk werd afgeblazen na intensieve lobby en verwijzing naar een wankel staakt-het-vuren.
Volgens datzelfde onderzoek zagen Israëlische officials een sterke score op Eurovision expliciet als kans om aan te tonen dat “Europa Israël nog altijd steunt”, ondanks groeiende kritiek op het militaire optreden in Gaza. Het Songfestival werd zo minder een luchtige liedjeswedstrijd, en meer een strijdtoneel over reputatie, mensenrechten en de status van Israël als paria of ‘normale’ staat.
Financiële documenten waarover De Morgen en andere media beschikken, tonen dat de Israëlische regering in 2024 alleen al meer dan 800.000 dollar aan Eurovision-gerelateerde advertenties uitgaf in Malmö; in totaal liep de marketing rond het Songfestival volgens The New York Times op tot minstens 1 miljoen dollar, deels betaald uit Netanyahu’s hasbara‑kantoor, dat officieel instaat voor buitenlandse “publieke diplomatie”. Al in 2018 zou de overheid ruim 100.000 dollar in sociale‑media‑promotie hebben gestoken voor winnares Netta, waarna binnen de regering het inzicht groeide dat het Songfestival een relatief goedkope, massaal bekeken propagandatool is.
In 2025 werd de campagne nog agressiever: via Google‑ en YouTube‑advertenties riep de Israëlische regering kijkers in meerdere talen op om het maximum van twintig keer op kandidaat Yuval Raphael te stemmen, een boodschap die ook door Netanyahu zelf via sociale media werd gedeeld. Omdat in sommige landen slechts enkele duizenden mensen stemmen, kan een paar honderd zeer actieve stemmers al volstaan om de publieksuitslag te kantelen; interne stemdata waar The New York Times inzage in kreeg, suggereren dat precies dát in pro‑Palestijnse landen gebeurde waar Israël onverwacht de publieksstemming won.
Officieel houdt de European Broadcasting Union vol dat overheden zich niet mogen mengen in de stemming, maar gaf ze Israël voor 2024 en 2025 geen formele sancties, terwijl interne nota’s de campagnes als “buitensporig” omschrijven. Pas eind 2025 voerde de EBU een beperking in tot tien stemmen per kijker, maar koppelde die regelwijziging via een omstreden procedure stilzwijgend aan het behoud van Israël in de competitie, wat vijf publieke omroepen ertoe bracht om de editie van 2026 te boycotten.
Tegelijk blijkt uit een intern rapport dat andere landen ook adverteren, maar geen enkele campagne was zo grootschalig, gecoördineerd en direct door een regeringsapparaat betaald als de Israëlische. Daarmee schuurt Eurovision steeds nadrukkelijker tegen de grens waar een vrolijke liedjeswedstrijd ophoudt, en een geopolitiek slagveld begint.
Laat het Songfestival nog wel zingen wat het wil, of horen we vooral wie het meeste macht en geld heeft? Een boycot is dus helemaal op zijn plaatst