De Nederlandse politiek praat over asiel alsof ergens op het ministerie een grote draaiknop zit. Rechtsom draaien betekent minder vluchtelingen, nog iets verder rechtsom betekent grip en wanneer de knop maar streng genoeg naar rechts wordt afgesteld, kan ook de opvangcapaciteit omlaag. Dat de praktijk zich weinig aantrekt van dit bedieningspaneel, geldt in Den Haag vooral als een tijdelijk uitvoeringsprobleem.
De Migratieradar Asiel zomer 2026 van de IND schetst een ander beeld. De dienst ziet in de belangrijkste herkomstlanden geen reden om een daling van het aantal eerste asielaanvragen te verwachten. Als het gebruikelijke seizoenspatroon terugkeert, kan het aantal in mei tot en met augustus boven de 9.000 uitkomen. In dezelfde periode van 2025 waren het er 7.800. Daarmee zou het nog altijd onder 2024 (10.100) en 2023 (12.500) blijven, en dat is precies het punt: de aantallen bewegen op en neer om redenen die weinig van doen hebben met de stand van de Haagse knop.
Het is ook geen exacte voorspelling. De IND benadrukt terecht dat migratie door veel factoren wordt bepaald en dat aan de prognose geen rechten kunnen worden ontleend. Maar juist die onzekerheid is politiek relevant. De uitvoeringsdienst ziet geen empirische basis om nu alvast van een stevige daling uit te gaan. Een overheid die opvang, personeel en huisvesting afbouwt op basis van het gewenste effect van haar beleid, gokt met een keten die al jaren overbelast is.
De wereld leest het regeerakkoord niet
Volgens de IND zijn de omstandigheden in belangrijke herkomstlanden niet zodanig verbeterd dat minder mensen zullen vluchten. In Ethiopië, Somalië, Soedan, Afghanistan en Egypte lijken de factoren die mensen tot vertrek aanzetten juist te zijn versterkt. Wereldwijd waren eind 2025 naar schatting 117,8 miljoen mensen ontheemd. Het aantal actieve conflicten waarbij staten betrokken zijn, ligt volgens de aangehaalde Global Peace Index op het hoogste niveau sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog.
Onderzoek waarop de IND zich baseert, wijst de veiligheidssituatie in een land aan als de belangrijkste factor bij de keuze om te vertrekken of verder te reizen. Daarnaast spelen sociale netwerken en financiële mogelijkheden een rol. Nederlandse beleidswijzigingen kunnen invloed hebben, maar vormen slechts één onderdeel van een veel groter geheel.
Dat beleid geen effect heeft, beweert niemand. De IND noemt zelf verschillen in nationaal beleid, inwilligingspercentages en mogelijkheden voor gezinshereniging als factoren die meewegen zodra iemand eenmaal in Europa is. Het punt is een ander: dat effect is klein naast de veiligheidssituatie elders, het werkt traag, en het laat zich vooraf niet in een getal vangen waarop je een begroting kunt bouwen.
In het politieke debat worden oorzaak en instrument ondertussen gemakkelijk verwisseld. Nieuwe beperkingen worden niet alleen verdedigd als een manier om aanvragen anders te behandelen, maar ook verkocht als garantie dat veel minder mensen zullen komen. Als die afname vervolgens uitblijft, geldt dat zelden als reden om de belofte te herzien. Het antwoord is meestal dat het beleid nog niet streng genoeg was.
Zo kan iedere mislukking nieuw bewijs leveren voor dezelfde koers.
Het Europese pact als uitgestelde belofte
Ook het Europese Asiel- en Migratiepact, dat op 12 juni in werking trad, moet de indruk wekken dat de knop eindelijk is gevonden. Snellere procedures aan de buitengrens, een gezamenlijke lijst van veilige landen en meer samenwerking met landen buiten de EU moeten het aantal aanvragen terugdringen.
De IND is over het kortetermijneffect opvallend terughoudend. Volgens de Migratieradar wordt breed aangenomen dat de invoering van het pact niet snel tot een significante afname zal leiden. Niet alle lidstaten hebben hun nieuwe procedures direct op orde. Pas wanneer de grensprocedure daadwerkelijk goed functioneert, zou het aantal aanvragen in Nederland kunnen afnemen.
Dat voorbehoud verdwijnt gemakkelijk uit de politieke vertaling. Daar wordt voorgenomen beleid vaak behandeld alsof het verwachte resultaat al is geboekt. De opvang kan dan worden begroot op minder mensen, de uitvoeringsorganisaties moeten met minder middelen toe en gemeenten krijgen te horen dat de druk binnenkort zal afnemen. Wanneer dat optimisme onjuist blijkt, volgt weer dure noodopvang en heet de zelfgeorganiseerde capaciteitscrisis een onverwachte instroom.
De Kaderwetevaluatie van het COA over 2019 tot en met 2024 laat zien wat dat kost. De benodigde opvangcapaciteit groeide van gemiddeld zo’n 31.000 plekken naar bijna 73.000, de uitgaven van ruim 658 miljoen naar ruim 4,5 miljard euro. Door tekorten aan reguliere locaties moest noodopvang worden geopend: duurder, en vaak van een lager kwaliteits- en voorzieningenniveau. Bij de IND loopt dezelfde rekening op, tot en met de 50 miljoen euro die in de begroting voor 2026 is gereserveerd voor dwangsommen wegens te laat genomen beslissingen. Wat het voortdurende op- en afschalen precies heeft gekost, weet intussen niemand: de Rekenkamer stelde vast dat het ministerie daar geen inzicht in heeft, en constateerde dit voorjaar hetzelfde over de effecten van de maatregelen bij de IND.
Nederland beweegt anders dan de EU
De cijfers bevatten nog een waarschuwing tegen eenvoudige verklaringen. In de EU+ lag het aantal asielaanvragen in de eerste drie maanden van 2026 zestien procent lager dan een jaar eerder. Nederland ging juist tegen die Europese trend in: van januari tot en met april werden hier 8.093 eerste aanvragen ingediend, meer dan in dezelfde maanden van 2025.
Als nationale strengheid de doorslaggevende factor was, zou zo’n verschil gemakkelijk te verklaren moeten zijn uit een plotseling ruimhartiger Nederlands beleid. Dat beleid is er niet; de afgelopen tertalen gingen juist over aanscherping. De ontwikkeling onderstreept vooral dat migratiestromen verschuiven door een combinatie van routes, bestaande gemeenschappen, omstandigheden in andere Europese landen en informatie die rondgaat binnen netwerken.
Een opvallend voorbeeld is de grote groep aanvragers die in de Nederlandse registratie onder ‘onbekende nationaliteit’ valt. Volgens een analyse in Ter Apel gaat het vrijwel altijd om mensen met een Palestijnse achtergrond. Van hen had in de eerste vier maanden van 2026 tachtig procent al bescherming in Griekenland.
Zo’n cijfer wordt voorspelbaar aangegrepen als bewijs dat Nederland te aantrekkelijk zou zijn. De Migratieradar vermeldt inderdaad dat Nederland op sociale media als voorkeursbestemming wordt gepresenteerd. Maar dezelfde bron wijst ook op onderzoek waaruit blijkt dat de Griekse autoriteiten snel een verblijfsvergunning verstrekken en daarna nauwelijks voorzieningen bieden. Een formele beschermingsstatus betekent weinig wanneer huisvesting, inkomen en basale bestaanszekerheid ontbreken. De secundaire migratie die daarop volgt, is niet uitsluitend een Nederlands toelatingsprobleem, maar ook een gevolg van de ongelijke kwaliteit van bescherming binnen Europa.
Hoe dat in de praktijk wordt opgelost, laat zich intussen goed aflezen aan de afspraak die Nederland en Griekenland in januari maakten. Dublin-overdrachten kunnen weer worden hervat, maar in ruil neemt Nederland de verantwoordelijkheid voor de stapel verzoeken die er al ligt. De kosten zijn zeker en direct, de verlichting is voorwaardelijk en hangt bovendien af van het oordeel van Nederlandse rechters over de Griekse opvang. Ook dat wordt in de politieke communicatie zelden zo gepresenteerd.
De administratieve categorie ‘onbekende nationaliteit’ maakt daarnaast zichtbaar hoe gemakkelijk cijfers hun context verliezen. In een Kamerdebat of krantenkop klinkt de categorie als een groep van wie zelfs de herkomst niet kan worden vastgesteld. In werkelijkheid gaat het grotendeels om een herkenbare groep met een specifieke juridische en Europese voorgeschiedenis.
Begroten op wat je hoopt
Het probleem is niet dat de overheid probeert migratie te beïnvloeden. Beleid doet ertoe, procedures moeten uitvoerbaar zijn en Europese samenwerking kan voorkomen dat een klein aantal landen een onevenredig deel van de opvang draagt. Het probleem ontstaat wanneer politieke wenselijkheid de plaats inneemt van planning.
Wie belooft dat strengere regels de aantallen snel verlagen, moet ook uitleggen wat er gebeurt wanneer oorlog, repressie en falende opvang elders sterker blijken dan het afschrikwekkende vermogen van een Nederlandse wetswijziging. Zonder die uitleg is ‘grip op migratie’ vooral een begrotingsaanname met een verkiezingsslogan eromheen.
De IND doet wat een uitvoeringsorganisatie hoort te doen: onzekerheden benoemen, internationale ontwikkelingen meewegen en waarschuwen dat het Europese pact niet onmiddellijk of helemaal niet het beloofde effect zal hebben. De politiek kan die waarschuwing serieus nemen en voldoende structurele capaciteit organiseren. Of ze kan opnieuw op een snelle daling rekenen, reguliere opvang afbouwen en over een jaar geschokt vaststellen dat de bedden op zijn.
Die tweede optie heeft inmiddels als voordeel dat iedereen precies weet hoe zij afloopt.
