Box 3 klinkt als een probleem voor mensen met een vermogensbeheerder en een vakantiehuis. Maar ook je gewone spaarrekening kan ermee te maken krijgen. Deze belasting draait om het rendement op je vermogen. Wanneer moet je opletten, wat telt mee en waarom is het bedrag op je bankrekening niet hetzelfde als het bedrag waarover je belasting betaalt?
Box 3 is het onderdeel van de inkomstenbelasting voor inkomen uit sparen en beleggen. Denk aan rente op spaargeld en opbrengsten van beleggingen. Alleen: de fiscus begint niet simpelweg met optellen wat jij echt hebt verdiend. De standaardberekening werkt met vaste, fictieve rendementspercentages.
Daar zit meteen de verwarring. Je betaalt belasting over een berekende opbrengst, die kan afwijken van wat je daadwerkelijk hebt verdiend.
Onder box 3 vallen onder meer:
- Geld op betaal- en spaarrekeningen.
- Beleggingen, zoals aandelen en obligaties.
- Cryptovaluta.
- Een tweede woning, bijvoorbeeld een vakantiehuis.
Je eigen woning die je hoofdverblijf is, valt normaal gesproken onder box 1, niet onder box 3. Dat je huis veel waard is, betekent dus niet automatisch dat je box 3-belasting moet betalen. Sommige schulden mag je bij de standaardberekening aftrekken, maar daarvoor gelden voorwaarden en een drempel.
Voor belastingjaar 2026 is het heffingsvrije vermogen €59.357 per persoon. Met een fiscale partner is dat samen €118.714, als jullie het hele jaar fiscale partners zijn of daarvoor kiezen.
Bij de standaardberekening telt je box 3-vermogen op 1 januari 2026. Blijf je, na toepassing van de regels, onder de vrijstelling? Dan betaal je geen box 3-belasting. Heb je meer vermogen, dan wordt het deel boven die grens relevant.
Een dure eigen woning betekent niet automatisch dat je box 3-belasting betaalt.
Een erfenis of jarenlang sparen kan box 3 dus opeens dichtbij brengen. Je hoeft er geen miljonair voor te zijn.
Nee. Het belastingtarief is in 2026 36 procent, maar dat geldt voor het belastbare rendement. Niet voor je volledige banktegoed. Bovendien gebruikt de standaardberekening verschillende percentages voor banktegoeden en overige bezittingen, zoals beleggingen.
Een eenvoudig voorbeeld: heb je zonder fiscale partner uitsluitend €70.000 spaargeld en geen schulden, dan blijft na de vrijstelling €10.643 over. Dat is niet je belastingrekening. Eerst wordt daarover het rendement berekend; vervolgens volgt de belasting.
Dan kun je je werkelijke rendement doorgeven. Is die berekening voordeliger, dan betaal je minder. Vanaf belastingjaar 2025 kan dit in de aangifte inkomstenbelasting.
Let wel: werkelijk rendement is niet alleen de ontvangen rente of het dividend. Ook waardestijgingen en waardedalingen tellen mee. Bovendien geldt binnen die berekening geen heffingsvrij vermogen. De fiscus vergelijkt beide methoden en gebruikt de gunstigste uitkomst.
Het tarief van 36 procent geldt voor het belastbare rendement, niet voor je hele vermogen.
Bewaar daarom jaaroverzichten en gegevens over je beleggingen. Kijk bij je aangifte niet alleen naar het saldo, maar ook naar de berekening.
Een nieuw box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement is beoogd voor 2028. De uitwerking is nog onderwerp van politieke besluitvorming. Verwar die plannen dus niet met de regels die nu gelden.
Voor 2026: €59.357 vrijgesteld per persoon bij de standaardberekening; 36 procent belasting over het belastbare rendement. Je eigen hoofdwoning valt normaal buiten box 3. Een lager werkelijk rendement kan een lagere aanslag opleveren.
Meer weten?
- Belastingdienst: heffingsvrij vermogen
- Consumentenbond: zo werkt box 3 in 2026
- Belastingdienst: wat is werkelijk rendement?